| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
| Marijke van der Sijde, © 2010 |
|
| |
|
|
DNA is een afkorting van Deoxyribo Nucleic Acid(desoxyribonucleïnezuur), een voor het leven zeer belangrijke chemische verbinding. Een DNA molecuul bestaat uit twee lange strengen die om elkaar heen draaien als een soort wenteltrap. Het molecuul wordt daarom een dubbele helix genoemd. Elke streng bestaat uit de ruggegraat van ribose (een suiker) met daaraan fosfaatgroepen en stikstofbasen.
Er zijn 4 verschillende stikstofbasen: Adenine (A), Thymine (T), Cytosine (C) en Guanine (G). Deze basen worden vaak aangegeven met de eerste letter. De A in een streng past precies tegenover de T in de tegenoverliggende streng en de G past tegenover de C. Zij vormen vaste baseparen. Dit zorgt er voor dat de 2 strengen dus altijd elkaars spiegelbeeld zijn, elkaars complement. We noemen ze dan ook complementaire strengen:
ATGCGTGCAATGTTTACGCGTAAAGCGTGCACGTTAGAGTACGTGCAGT ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||| TACGCACGTTACAAATGCTCATTTCGCACGTGCAATCTCATGCACGTCA
De volgorde waarin de basen in het DNA voorkomen, vormt de code waarmee de erfelijke informatie is vastgelegd. Zoals noten op een notenbalk de code vormen voor een stuk muziek, vormen de letters A, C, G en T in het DNA-molecuul de basis voor de erfelijke eigenschappen. Hoewel er dus maar vier verschillende 'codeletters' zijn is het aantal mogelijke lettercombinaties van een stukje DNA van slechts honderd van deze baseparen al heel erg groot. En aangezien het complete DNA van de mens uit 6 miljoen baseparen bestaat, is DNA dus al gauw voor iedereen uniek.
|
|
|
|